Pietter van Rijnbach – de naaldenmaker

Pietter van Rijnbach, geboren rond 1650, is de oudst bekende voorvader in de familie Van Rijnbach. Wat is bijzonder vind is dat we weten welk beroep hij had: naaldenmaker. Daar is best veel informatie over te vinden.

Pieter was dus naaldenmaker van beroep en zal dan ook ongetwijfeld lid zijn geweest van het spelden- en naaldenmakersgilde; hij had anders zijn beroep niet mogen en kunnen uitoefenen. Het gilde, dat zijn ontstaan wellicht tot 1496 kon terugvoeren, toen ter eere van St. Catharina een altaar in de St. Laurenskerk gewijd werd. Deze heilige was namelijk de patrones van de speldenmakers, zoals blijkt uit het opschrift van het enige register dat van hun archief bewaard gebleven is: “Het ordonnantieboek van ’t Catharinagilde in Rotterdam”.

Dat boek begint met een ordonnantie van 25 november 1594. De meesterproef bestond uit het maken van 6.000 spelden “Van alsulcke sorteringe als sij dagelicx op heure winkel gewoenlijck sijn te maecken”. De speldenmakers en kooplieden in spelden waren gehouden behalve het stedelijk wapen en de naam Rotterdam op “gecleurde druckpampieren”, waarin zij hun spelden van de beste kwaliteit verpakten, de naam en het merk van de maker te zetten. De zogenaamde “rood-drucken” behoefden slechts van het woord “Rotterdam” te zijn voorzien, terwijl alle “ongedruckte pampieren” zonder opschrift aan de man mochten worden gebracht. Natuurlijk was het verboden, elders gefabriceerde spelden in omslagen met de Rotterdamse kenmerken te verkopen. Personen die geen lid waren van het gilde, mochten geen haken of “ketenen van coperdraet” maken.

Een achttiende eeuwse ordonnantie bepaalde uitdrukkelijk dat het gilde ook open stond voor naalden- en haken- en ogenmakers. Zij die de spelden- en haakmakersproef hadden volbracht, waren bovendien gerechtigd tot het vervaardigen van kettingen van koperdraad. De haakmakersproef bestond uit het maken van 8.000 haken en ogen.

De aspirant-meester naaldenmaker moest verschillende soorten naalden maken: Kleefse en Spaanse naalden, sajet-naalden, linnenstopnaalden, boekbindersnaalden, koldernaalden (gebruikt bij het vervaardigen van lederen harnassen =kolder), handschoennaalden, barbiersnaalden, Parijse naalden en gaasnaalden. Van elke soort 100 of 200. Deze proef moest tweemaal worden gedaan, eerst “uyt den rouwe” en vervolgens “hard en blank in ordre opgemaakt” het maken en invoeren van ijzeren naalden, al waren dezen dan ook bedriegelijk “staelsgewijs opgemaekt” was, op straffe van 100 gulden, verboden.
Naaldmakersknechts hadden hun eigen bus. Dat was een voorziening van zieke leden, weduwen en dergelijke, waarin zij wekelijks, als ze het volle loon verdienden twee en bij half loon een stuiver moesten bijdragen. De bedragen werden door de meester van het loon afgehouden.

Ik heb deze teksten gehaald uit het document “Stamreeks van het uit Duitsland stammende geslacht Van Rijnbach”, door J.H. van der Boom en op internet “Rotterdamse smeden, speldenmakers en blikslagers in de Gouden Eeuw” [http://www.engelfriet.net/Alie/Aad/speldenmakers.htm]